Zoek het voorzetselvoorwerp (vv) in de volgende zinnen. Let erop dat je het volledige zinsdeel overtikt!

Vul de gaten in. Druk dan op "Antwoord controleren" om de antwoorden te controleren.

Het voorzetselvoorwerp begint met een vast voorzetsel.
Je vindt het voorzetselvoorwerp door de volgende vraag te stellen:
VAST VOORZETSEL wie/wat + werkwoordelijk gezegde / naamwoordelijk gezegde + onderwerp?

Bv.:
Hij luisterde aandachtig naar haar stem.
onderwerp = hij
wwg = luisterde
NAAR wat luisterde hij? -> naar haar stem
naar haar stem = voorzetselvoorwerp (vv)

1. We kunnen altijd op hem rekenen.
vv:

2. Na het mislukt kampioenschap is de topsporter klaar voor een nieuwe start.
vv:

3. Jeroen moest de hele tijd aan het ongeluk denken.
vv:

4. Ook dit jaar neemt Kim Clijsters deel aan de Australian Open.
vv:

5. In de lessen godsdienst ergert Jan zich aan het gedrag van zijn medeleerlingen.
vv:

6. Dat meisje werd aan haar moeder toegewezen.
vv:

7. Ik brand van verlangen om hem terug te zien!
vv:

8. De athleten verzetten zich tegen de nieuwe reglementering.
vv:

9. Wij houden niet zo veel van romantische films.
vv:

10. Emilie is verliefd op een jongen uit de klas.
vv: