Zoek de persoonsvorm (pv) en het onderwerp (o) in de volgende zinnen. Let erop dat je het volledige zinsdeel overtikt!

Vul de gaten in. Druk dan op "Antwoord controleren" om de antwoorden te controleren.

Het onderwerp vind je door de vraag te stellen: "Over wie of waarover wordt er iets gezegd?".
De persoonsvorm is het werkwoord in de zin dat bij het onderwerp hoort.
Tip: Als je het onderwerp in het enkelvoud/meervoud zet, verandert de pv ook naar enkelvoud/meervoud!

Bv.:
Ik zag gisteren een mooie film.
Over wie wordt er iets gezegd? -> ik (zag een mooie film)
ik = onderwerp (o)

We zetten de zin om naar het meervoud: Wij zagen gisteren een mooie film.
zag -> zagen
zag = persoonsvorm (pv)

1. Elk jaar vieren we internationale gedichtendag op school.
o:
pv:

2. In de klas leest de leerkracht dan allerlei gedichten voor.
o:
pv:

3. En de leerlingen volgen natuurlijk geboeid mee.
o:
pv:

4. Maar dan komt het moeilijke werk eraan!
o:
pv:

5. De leerlingen moeten nu ook zelf een gedichtje schrijven.
o:
pv:

6. Bij sommigen wil de inspiratie gewoonweg niet komen.
o:
pv:

7. Wat moet je dan doen?
o:
pv:

8. Ook het rijmen is niet zo eenvoudig.
o:
pv:

9. Maar de klas geeft helemaal niet op.
o:
pv:

10. Als dichter heb je erg veel geduld nodig!
o:
pv: