Zoek de persoonsvorm (pv) en het onderwerp (o) in de volgende zinnen. Let erop dat je het volledige zinsdeel overtikt!

Vul de gaten in. Druk dan op "Antwoord controleren" om de antwoorden te controleren.

Het onderwerp vind je door de vraag te stellen: "Over wie of waarover wordt er iets gezegd?".
De persoonsvorm is het werkwoord in de zin dat bij het onderwerp hoort.
Tip: Als je het onderwerp in het enkelvoud/meervoud zet, verandert de pv ook naar enkelvoud/meervoud!

Bv.:
Ik zag gisteren een mooie film.
Over wie wordt er iets gezegd? -> ik (zag een mooie film)
ik = onderwerp (o)

We zetten de zin om naar het meervoud: Wij zagen gisteren een mooie film.
zag -> zagen
zag = persoonsvorm (pv)

1. De volgende dag wordt Anna rillend van koorts wakker.
o:
pv:

2. De tent is gescheurd door het harde onweer.
o:
pv:

3. Jakob hangt het jachtgeweer over zijn schouders.
o:
pv:

4. Moet jij altijd de clown uithangen?
o:
pv:

5. Gisterenavond zagen wij een spectaculaire zonsondergang!
o:
pv:

6. Kleine peuters slapen best nog een paar uurtjes na de middag.
o:
pv:

7. Huiswerk maken doet Jan absoluut niet graag!
o:
pv:

8. Marlies en Johan genieten van hun ontbijt op bed.
o:
pv:

9. Snel banen we ons een weg door de menigte.
o:
pv:

10. Ik vind het hier maar griezelig!
o:
pv: