Zoek het meewerkend voorwerp (mv) in de volgende zinnen. Let erop dat je het volledige zinsdeel overtikt!

Vul de gaten in. Druk dan op "Antwoord controleren" om de antwoorden te controleren.

Het meewerkend voorwerp vind je door de volgende vraag te stellen:
aan / voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?
of aan / voor wat + werkwoordelijk gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

Bv.:
Ik gaf haar gisteren een dikke zoen.
onderwerp = ik
wwg = gaf
een dikke zoen = lv
Aan wie gaf ik gisteren een dikke zoen? -> (aan) haar
haar = meewerkend voorwerp (mv)

1. Deze formule heb ik de leerlingen wel al duizend keer uitgelegd!
mv:

2. De dokter heeft haar een andere behandeling aangeraden.
mv:

3. Ik heb mijn vriendin een mooie huwelijksreis beloofd.
mv:

4. De leerkracht wiskunde moet ons nog extra oefeningen bezorgen.
mv:

5. De bank wil de kansarme vrouw geen lening geven.
mv:

6. Kunt u deze klanten een catalogus sturen?
mv:

7. Sofie doet je vele groetjes!
mv:

8. Ik zou iedereen veel werkplezier willen wensen!
mv:

9. Hij heeft de jongen een vakantiejob aangeboden.
mv:

10. Heb je hem het slechte nieuws al verteld?
mv: