Zoek het meewerkend voorwerp (mv) in de volgende zinnen. Let erop dat je het volledige zinsdeel overtikt!

Vul de gaten in. Druk dan op "Antwoord controleren" om de antwoorden te controleren.

Het meewerkend voorwerp vind je door de volgende vraag te stellen:
aan / voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?
of aan / voor wat + werkwoordelijk gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

Bv.:
Ik heb haar gisteren een cadeau gegeven.
onderwerp = ik
heb gegeven = wwg
een cadeau = lv
Aan wie heb ik gisteren een cadeau gegeven? -> (aan) haar
haar = meewerkend voorwerp (mv)

1. Heb ik jou iets gevraagd?
mv:

2. Ik zou haar mijn hele leven kunnen vertellen!
mv:

3. Heb jij hem al een drankje aangeboden?
mv:

4. We mogen onze nieuwe collega's deze beslissing nog niet meedelen.
mv:

5. De dokter toonde het suikerzieke meisje de medicijnen die ze moest innemen.
mv:

6. De leerkracht Frans wil ons zo veel mogelijke nieuwe woorden aanleren.
mv:

7. Seppe is zijn vriend 200 euro verschuldigd.
mv:

8. Ik wil mijn vrienden mijn nieuwe studentenkamer laten zien.
mv:

9. Je hebt mij jouw standpunt erg duidelijk uitgelegd.
mv:

10. Hij schenkt zijn vrouw regelmatig een boeketje bloemen.
mv: