Waaruit bestaat het werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde? In de zinnen hieronder zijn de verschillende delen al aangeduid. Benoem ze. Let wel: gebruik de afkortingen!

Vul de gaten in. Druk dan op "Antwoord controleren" om de antwoorden te controleren.

Kies uit volgende delen:

- persoonsvorm: pv
- voltooid deelwoord: vd
- infinitief: inf
- afscheidbaar deel van de persoonsvorm: adpv
- te + infinitief: te + inf
- aan het + infinitief: aan het + inf
- werkwoordelijke uitdrukking: ww uitdr
- wederkerend voornaamwoord: wnd vn

Bv.: Ik heb gisteren heel de dag naar de televisie gekeken.
heb: pv
gekeken: vd

1. De chauffeur heeft mijn abonnement gevraagd.
heeft:
gevraagd:

2. Ik heb een mooi cadeau op de kop kunnen tikken.
heb:
op de kop:
kunnen:
tikken:

3. Waar zullen de Olympische Spelen in 2008 doorgaan?
zullen:
doorgaan:

4. Hij was heel de dag in de tuin aan het werken.
was:
aan het werken:

5. Volgens mij heeft Matthis de projector gebruikt.
heeft:
gebruikt:

6. Je hoeft niet zo verdrietig te zijn!
hoeft:
te zijn:

7. Pff, ik ben drie weken ziek geweest.
ben:
geweest:

8. Ik draaide het stuur krachtig om.
draaide:
om:

9. De kleuter kan zich al helemaal alleen aankleden!
kan:
zich:
aankleden:

10. Ik heb mijn huiswerk nog niet gedaan kunnen krijgen.
heb:
gedaan:
kunnen:
krijgen: