Waaruit bestaat het werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde? In de zinnen hieronder zijn de verschillende delen al aangeduid. Benoem ze. Let wel: gebruik de afkortingen!

Vul de gaten in. Druk dan op "Antwoord controleren" om de antwoorden te controleren.

Kies uit volgende delen:

- persoonsvorm: pv
- voltooid deelwoord: vd
- infinitief: inf
- afscheidbaar deel van de persoonsvorm: adpv
- te + infinitief: te + inf
- aan het + infinitief: aan het + inf
- werkwoordelijke uitdrukking: ww uitdr
- wederkerend voornaamwoord: wnd vn

Bv.: Ik moet gisteren heel de namiddag geslapen hebben.
moet: pv
geslapen: vd
hebben: inf

1. Vele jongeren kunnen uren na elkaar chatten.
kunnen:
chatten:

2. Uiteraard zijn niet alle ouders voor zo'n lange chatsessies te vinden!
zijn:
te vinden:

3. Volgens sommigen leveren chatsessies soms onveilige internetverbindingen op.
leveren:
op:

4. Ook mogen in een chatbericht geen vertrouwelijke gegevens (zoals adres, telefoonnummer) meegedeeld worden.
mogen:
meegedeeld:
worden:

5. Men is momenteel aan het uitzoeken hoe chatsessies beter beveiligd kunnen worden.
is:
aan het uitzoeken:

6. Kinderen kunnen een speciale digitale identiteitskaart aanvragen.
kunnen:
aanvragen:

7. Met deze identiteitskaart wordt enkel toegang verleend tot veilige sites.
wordt:
verleend:

8. Ouders kunnen hun kinderen dan met een gerust hart laten "computereren".
kunnen:
laten:
computeren:

9. Heb jij al zo'n identiteitskaart aangevraagd?
heb:
aangevraagd:

10. Ik zou niet weten waar en hoe!
zou:
weten: